Blind in de oorlog; de organisaties en instellingen van en voor blinden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Door Ad van der Waals.

Eerder gepubliceerd in Moet je Horen, luistermagazine voor blinden en slechtzienden, nr.5-2020, mei 2020 (Uitgave van Passendlezen.nl/voorstekamer.nl).

Inleiding

Tijdens de Tweede wereldoorlog verscheen in Utrecht een illegale krant in braille, ‘Mijn schild ende betrouwe’. Een initiatief van de blinde Lida Hoeijenbos die vond dat blinden zich zelfstandig op de hoogte moesten kunnen stellen van het belangrijkste oorlogsnieuws. Een krant in braille dus. De bladen van de blindenbonden konden volgens haar niet of niet meer in die behoefte voorzien. Maar hoe verging het de blindenbonden tijdens de oorlog eigenlijk en ook de instellingen die voor blinden werkzaam waren? In boeken over de geschiedenis van diverse instellingen en organisaties is wel iets over deze periode geschreven. Maar van een samenvattend onderzoek en overzichtelijke beschrijving is geen sprake geweest. De positie van mensen met een beperking in de oorlogsjaren in het algemeen is een nog bijna onontgonnen terrein van historisch onderzoek.

In dit artikel wordt de beschikbare informatie over de blindensector weergegeven. Wellicht dat het een aanzet kan zijn tot verder onderzoek naar het leven van (visueel) gehandicapten tijdens de oorlog en het werk van instellingen en organisaties in die periode.

De blindenwereld in de jaren ‘30

Er waren drie blindenbonden: de Nederlandse Blindenbond (NBB), de Rooms- Katholieke Blindenbond St. Odilia en de Nederlandse Christelijke blindenbond (NCB). Naar schatting had de NBB ca. 650, St. Odilia ca. 350 en de NCB ca. 120 leden. Het totaal aantal blinden in ons land werd destijds geschat op 4.000; mensen die van jongs af blind waren of dat later waren geworden. Elk van de bonden voerde op eigen wijze propaganda die er vooral op gericht was donateurs en daarmee inkomsten te verwerven. Voor de Nederlandse Blindenbond was een medewerker actief die stad en land afreisde om spreekbeurten te vervullen. Maar ook de andere bonden en diverse zorginstellingen waren op dit terrein actief, soms met een eigen propagandist. De meeste bijeenkomsten die zij organiseerden werden opgeluisterd door koren en muziekkorpsen en er waren film- en toneelvoorstellingen. De verenigingsactiviteiten van de bonden lagen vooral in de sfeer van onderling contact en ondersteuning. Veel activiteiten werden mogelijk gemaakt door donateurs, blindenzorgverenigingen en fondsen die daarnaast soms ook individuele hulp gaven aan blinden. Via collectes werd een beroep gedaan op de goedgeefsheid van de bevolking. Vooral de NCB deed – evenals andere protestantse instellingen – een beroep op de protestantse kerken. Van samenwerking van de bonden was in de jaren dertig alleen sprake met betrekking tot onderwerpen van gemeenschappelijk belang.

Samenvallend met de scheidslijnen van de verzuiling waren er scholen voor blinde kinderen, waaraan altijd een internaat verbonden was. Bartiméus in Zeist had een protestants-christelijke signatuur. De rooms-katholieke instellingen voor meisjes en jongens – De Wijnberg en Sint Henricus – waren gevestigd in Grave. In Bussum was het algemene Instituut voor Onderwijs en dat had ook vestigingen in Huis ter Heide en Haren. In de jaren dertig had een initiatief om een Joodse school te stichten geen succes gehad, onder andere door de tegenwerking van de Nederlandse Blindenbond, die vond dat er daarvoor een te gering aantal Joodse kinderen was. Die konden volgens de NBB bovendien ook bij de andere scholen terecht.

In veel steden waren er werkinrichtingen waar volwassen blinden arbeid verrichtten. De nadruk lag op de productie van borstels, manden en textielproducten, producten die onder meer aan particulieren werden verkocht. Een aantal werkinrichtingen was ook betrokken bij druk- en bindwerk van uitgaven in braille. Langzamerhand werden ook beroepen voor blinden in het bedrijfsleven bereikbaar, zoals het beroep van telefonist, kantoorbediende en typist. De werkinrichtingen namen derhalve ook initiatieven voor omscholing van blinden naar andere dan de traditionele beroepen.

In een aantal plaatsen was er een instelling voor huisvesting van blinden. In Grave en Ermelo boden deze in de eerste plaats woonruimte aan medewerkers van een werkinrichting. In deze tehuizen woonden soms oudere blinden die niet actief waren in een werkinrichting. In Wolfheze was er een tehuis voor oudere blinden.

Er waren drie blindenbibliotheken: de algemene Nederlandsche Blindenbibliotheek in Den Haag, de protestantse Christelijke Blindenbibliotheek in Ermelo en de rooms-katholieke Le Sage ten Broek Blindenbibliotheek in Grave. Het overzetten van boeken naar braille werd gedaan door honderden ziende vrijwilligers. Voor het beheer van de braillebanden en voor het contact met de lezers was er bij elk van de bibliotheken een aantal betaalde medewerkers. De verzending van braillebanden naar de lezers en de retourzending gebeurde door de PTT. Ook de financiering van het blindenbibliotheekwerk was een zaak van particulier initiatief. In drie plaatsen – Amsterdam, Utrecht en Groningen – was er een brailleafdeling van de openbare bibliotheek. In deze steden konden blinden hun boeken per post toegezonden krijgen maar deze ook zelf bij de bibliotheek ophalen.

Tenslotte was er in ons land de geleidehond-voorziening. Mede op aandringen van de blindenbonden was in 1935 het Nederlandse Geleidehonden Fonds (NGF) gestart op een opleidingscentrum in Watergraafsmeer.

Omdat de financiering van de meeste instellingen in hoofdzaak afhankelijk was van de ondersteuning door particulieren waren er talloze plaatselijke ‘correspondenten’ en comités die bekendheid gaven aan een instelling, die donateurs wierven en inzamelingsacties organiseerden. In veel plaatsen gebeurde dat op dezelfde manier waarop de blindenbonden dat deden.

Het begin van de Tweede wereldoorlog.

Toen de Nederlandse regering in 1939 een mobilisatie afkondigde had dat vooral gevolgen voor de scholen en de woonvoorzieningen. Dat was in het bijzonder merkbaar in de garnizoensstad Grave, waar de rooms-katholieke scholen en hun internaten en het huis voor oudere blinden beschikbaar moesten komen voor het inkwartieren van soldaten. De vakanties werden daarom verlengd en de bewoners van de internaten werden tijdelijk elders ondergebracht. In Ermelo werden loopgraven aangelegd waardoor het tehuis en de werkinrichting moesten worden ontruimd. De bewoners werden ondergebracht bij gezinnen in Ermelo. Evacuatie was ook nodig voor de internaten in Zeist. Het tehuis voor blinden in Wolfheze nam zelfs vluchtelingen op.

Al snel na de capitulatie konden geëvacueerden terugkeren naar de internaten en de tehuizen. Het onderwijs werd hervat en ook in de werkinrichtingen ging men weer aan het werk. Dat was niet het geval in de grote werkinrichting voor blinden in Rotterdam. Bij het bombardement van 14 mei 1940 was het gehele gebouw verwoest. Omdat de werkinrichting bij het begin van de oorlog op 10 mei al gesloten was vielen er geen slachtoffers onder de medewerkers. Velen van hen verloren wel hun woning. Door de verwoestingen ging niet alleen het gebouw maar ook het gehele vermogen van de werkinrichting – belegd in hypotheken en vastgoed – verloren. Daarmee kwam de werkgelegenheid en de loonbetaling voor de ruim 150 blinden in gevaar. De medewerkers konden nog een week doorbetaald worden. Daarna nam de Dienst Maatschappelijk Hulpbetoon de financiële ondersteuning over. Vervangende werkruimte werd gevonden in een oude tabaksfabriek maar niet voor alle medewerkers. Voor 16 vrouwen werd elders werkruimte gevonden en voor de mannen werd een roulatiesysteem opgezet waardoor zoveel mogelijk mensen aan het werk konden blijven. Maatschappelijk Hulpbetoon maar ook particuliere fondsen zorgden voor een aanvullende uitkering.

De eerste maatregelen van de bezetter.

Al snel na de capitulatie werden de eerste maatregelen door de bezetter genomen die ook gevolgen hadden voor de diverse instellingen. Het Instituut voor Onderwijs voor Blinden in Bussum was oorspronkelijk voortgekomen uit de kring van de Vrijmetselarij. De meerderheid van het bestuur bestond uit vrijmetselaars maar het instituut was in formele zin geheel onafhankelijk. Het voltallige bestuur moest zich echter terugtrekken en dook onder. De bezetter stelde een bestuurder aan maar bemoeide zich verder niet met de dagelijkse gang van zaken in het onderwijs en in de internaten. Dat zou de hele oorlog zo blijven en daardoor kon tot ver in 1944 min of meer normaal doorgewerkt worden. Dat gold ook voor het tehuis voor oudere blinden in Huizen.

Een kleine vereniging die al snel op gezag van de bezetter het werk moest beëindigen was de NOSOBE, de vereniging van blinde esperantisten. Vanwege het internationale karakter ervan werd het gebruik van Esperanto verboden. De brailleafdeling van de Openbare Bibliotheek in Amsterdam moest boeken in Esperanto al snel verwijderen.

Door de bezetter werd bepaald dat luistergeld betaald moest worden voor het bezit van een radio. De inning moest gebeuren door de PTT. De blindenbonden vroegen gezamenlijk vrijstelling aan voor blinden en dat verzoek werd ingewilligd. Toen in 1943 elk bezit van een radio werd verboden vroegen de blindenbonden vrijstelling van de bepaling dat radiotoestellen moesten worden ingeleverd. De directie van de PTT wilde wel meewerken aan vrijstelling voor blinden maar de bezetter was niet zo welwillend. Het argument daarvoor was dat er voor bejaarden, chronisch zieken en blinden een alternatief was: de door de bezetter gecontroleerde radiodistributie.

Ook al in 1940 werden publieke geldinzamelingen voor niet-commerciële instellingen en goede doelen verboden of aan strikte voorwaarden gebonden. De organisaties en instellingen in de blindensector hadden nooit overheidssubsidie gekregen en behoorden derhalve tot deze categorie. Ze werden beperkt in hun vrijheid om inkomsten te verwerven maar in de praktijk verschilden de maatregelen per instelling. Een aantal organisaties moest dit werk stopzetten of andere methodes vinden om inzamelingen voort te zetten. De Nederlandsche Blindenbibliotheek werd in 1941 gedwongen ingezameld geld af te dragen aan de bezetter. Giften en donaties werden daarna zoveel mogelijk uit de boeken gelaten. Legaten werden zolang dat mogelijk was niet opgeëist of bleven bij de notaris ‘in behandeling’. In veel gevallen kon de inning daardoor tot na de bevrijding opgeschort worden. De kerken hadden zich op het standpunt gesteld dat zij vereniging noch stichting waren en derhalve niet onder de bepalingen inzake geldwerving en collectes vielen. De Duitsers accepteerden de opvatting dat met kerken verbonden verenigingen en stichtingen ook gevrijwaard waren van het verbod om gelden te werven. Waarschijnlijk kon de vereniging tot Christelijk Hulpbetoon aan Blinden Sonneheerdt, die de werkinrichting en het tehuis in Ermelo exploiteerde, gebruik maken van een vrijstelling. De landelijk werkzame propagandist en coördinator op dat terrein kon de hele oorlogsperiode actief blijven. In het jaarverslag 1943-1944 worden stijgende inkomsten van donateurs gemeld en zelfs wordt gesproken over succesvolle straatcollectes in diverse plaatsen.

Een andere maatregel die veel instellingen en organisaties trof was de verplichte registratie bij de Kultuurkamer. Deze verplichting was voor de Nederlandse Blindenbond aanleiding de uitgave van het bondsorgaan voor leden en donateurs te stoppen. Aangenomen moet worden dat de blindenbibliotheken zich verder min of meer aan de verordeningen hielden. Het tijdschrift in braille van de blindenbibliotheek en de instellingen in Grave De Leidsman dreigde in september te moeten stoppen omdat de redacteur ervan weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Hij kreeg in maart 1943 het bericht dat er voor zijn blad geen verschijningsverbod gold maar wel voor het blad van de R.K. Blindenbond St. Odilia. De Leidsman kon daarna weer verschijnen tot het sluiten van de drukkerij in 1944 dat onmogelijk maakte.

De positie van Joden

Dramatisch waren de maatregelen tegen Joden. Zij mochten geen boeken meer ontvangen van de blindenbibliotheken, Joodse medewerkers verloren hun baan, Joodse leerlingen in de scholen en internaten en bewoners van tehuizen werden gedeporteerd. Het meest getroffen werd de blindenwerkinrichting in Amsterdam waar in 1943 27 Joodse medewerkers werden gedeporteerd. Geen van hen keerde terug. De Nederlandse Blindenbond verloor 100 leden, van wie de meesten in Amsterdam woonden. Begin 1943 kreeg de directrice van de woonvoorziening in Wolfheze opdracht vier Joodse bewoners te laten vertrekken. Zij werden door de Duitsers weggevoerd. Drie van hen zouden via Westerbork naar Duitsland en Polen worden gedeporteerd en daar worden vermoord. Een van hen – Jeanette van Ronkel – wist echter onderweg naar het station te ontsnappen en kon in Den Haag onderduiken bij de propagandist van de Nederlandse Blindenbond, Johan van den Berg. Hij organiseerde voor haar en ook anderen onderduikadressen waardoor zij de oorlog heeft overleefd. Van den Berg had in 1938 ook vier Oostenrijkse blinden opgevangen en zorgde er tijdens de oorlog voor dat zij steeds konden onderduiken. Hij gebruikte daarbij zijn contacten met leden van de blindenbond maar ook met betrouwbare ambtenaren in Den Haag.

Een lid van de Nederlandse Christelijke Blindenbond was weliswaar christen maar van Joodse afkomst. Op grond van de Duitse maatregel dat Joden geen lid mochten zijn besloot zij zelf aan het verbod gevolg te geven. Zij werd later gedeporteerd en in een concentratiekamp vermoord. Het bestuur van de Nederlandse Blindenbond weigerde Joodse leden te verwijderen uit het ledenbestand en beriep zich erop dat in de ledenadministratie geen aantekeningen waren gemaakt van de godsdienst van de leden. Diverse leden gaven echter individueel wel gehoor aan het verbod van de Duitsers en zegden het lidmaatschap op. Onder hen was ook een lid van het bondsbestuur. Ook de blindenbibliotheken kregen te maken met de verordening dat er geen boeken meer geleend mochten worden aan Joodse lezers. Aangenomen moet worden dat in het algemeen hieraan werd voldaan. De Nederlandsche Blindenbibliotheek protesteerde tevergeefs bij de bezetter tegen het verbod studiemateriaal te leveren aan een Joodse jongen die op dat moment nog wel toestemming had om een studie te volgen. Hoewel er wel protesten klonken tegen de anti-Joodse maatregelen van de bezetter werd er nauwelijks concrete actie gevoerd. Het bestuur van de Ermelose instellingen achtte dat zelfs niet nodig omdat de instelling niet of nauwelijks Joodse donateurs, medewerkers of bewoners had. De werkinrichting in Rotterdam verloor 1 Joodse medewerker. Na de oorlog bleek dat 4 Joodse leerlingen van het Instituut in Bussum en 1 bewoner van het tehuis daar in concentratiekampen waren vermoord.

Tekorten aan voedsel en grondstoffen

Alle instellingen hadden vanaf het begin van de oorlog een tekort aan voedsel en grondstoffen. Het tehuis in Ermelo en ook het internaat in Zeist konden de problemen enigszins opvangen omdat ze grond hadden waarop aardappels en groenten werden verbouwd.

De werkinrichtingen hadden in de loop van de oorlog steeds meer te maken met een tekort aan grondstoffen voor de producten die gemaakt werden. Er werden daarom volop pogingen gedaan werkopdrachten binnen te halen voor bijvoorbeeld reparatie van bestaande producten of er werd gezocht naar vervangend werk. De werkinrichting Sonneheerdt in Ermelo zette een programma op voor omscholing van medewerkers. Een aantal medewerkers leerde machineschrijven en kwam daardoor in aanmerking voor kantoorfuncties in het bedrijfsleven. De brailledrukkerij had de afzet naar Nederlands Indië verloren maar had al in 1941 grote opdrachten van het Nederlands Bijbelgenootschap voor de productie in braille van Bijbelboeken verworven. Later kreeg het ook de opdracht van de Nederlandse Omroep voor de productie van de luistergids in braille. Desondanks kwam het werk in de drukkerij regelmatig stil te liggen. De werkinrichting in Rotterdam zag zich in 1944 gedwongen te sluiten door de stagnerende aanvoer van materiaal en grondstoffen. Aangenomen moet worden dat ook de werkinrichtingen voor blinden elders in het land met vergelijkbare omstandigheden te maken hadden.

De werkinrichting in Amsterdam ging uit van de Vereniging tot Werkverschaffing aan Hulpbehoevende Blinden. Direct na het begin van de oorlog leidde het tekort aan grondstoffen tot de noodzaak de productie te beperken. Toen het bestuurslid F.P.Guépin wethouder werd voor de nationaalsocialisten lieten de medebestuursleden weten dat zij dat onverenigbaar vonden met het bestuurslidmaatschap van de vereniging. Guépin liet zich tot beheerder van de vereniging aanstellen en ontsloeg twee bestuursleden. Dat was aanleiding voor de andere bestuursleden om zich terug te trekken. Er kwam een nieuw bestuur dat zich geheel voegde naar de opdrachten van de wethouder en de bezetter. Het personeel diende een solidariteitsverklaring te ondertekenen. Het medezeggenschapsorgaan van medewerkers werd opgeheven. Het nieuwe bestuur signaleerde al snel dat er een groot aantal joden werkzaam was. Deze werden naar concentratiekampen gedeporteerd van wie niemand zou terugkeren. Na de bevrijding keerde het oude bestuur weer in functie terug. Een van de bestuursleden, de verzetsman J. Boissevain, was in het concentratiekamp Buchenwald omgekomen.

Van het toen nog maar kort bestaande Nederlands Geleidehondenfonds is betrekkelijk weinig bekend over de oorlogsjaren. Natuurlijk was het voedsel voor de honden in de opleiding een voortdurend probleem maar dat was ook het geval met de honden die al bij blinden werkten. Het is aannemelijk dat de bezetter er aan meewerkte dat er vers vlees voor honden te krijgen was bij de abattoirs. Er zijn zelfs voedsel distributiebonnen gevonden waarop uitdrukkelijk vermeld stond dat het vlees voor een blindengeleidehond bestemd was. Soms was het vlees met een kleurstof herkenbaar gemaakt om daarmee particuliere consumptie te voorkomen. In de meeste gevallen zullen zowel blinden als geleidehonden sterk geleden hebben onder de oorlogsomstandigheden. Toch werden er tijdens de oorlog jaarlijks circa 25 honden afgeleverd, waarvan het merendeel in Amsterdam. De vraag naar geleidehonden nam kort na de oorlog sterk toe, mede door de toename van het aantal oorlogsgewonden.

De blindenlectuurvoorziening

De blindenbibliotheken kregen – zoals dat ook het geval was met openbare bibliotheken – te maken met een toenemende leesbehoefte. Hoewel daar geen concrete gegevens over zijn is het zeer aannemelijk dat zij rekening moesten houden met de verordeningen met betrekking tot de samenstelling van de collectie. De Utrechtse blindenbibliotheek – een afdeling van de Openbare Bibliotheek – moest in 1941 de werkzaamheden beëindigen in verband met de benarde huisvestingssituatie. De ruim 40 lezers en de groep van enkele tientallen vrijwillige brailleerders werden overgedragen aan de Nederlandse Blindenbibliotheek. Dat gebeurde ook met het gehele boekenbestand. In die collectie zaten veel titels die door de bezetter niet waren toegestaan. In naam werden de niet toegestane titels vernietigd maar in feite werden ze opgeslagen in de kelders van het gebouw van een verzekeringsmaatschappij in Den Haag. Daar kwamen ze na de bevrijding weer tevoorschijn.

Van geheel andere orde was de verbranding van boeken in de Le Sage ten Broek Blindenbibliotheek in Grave. Een nieuwe directeur stelde andere eisen aan het rooms-katholieke karakter van de collectie dan zijn meer liberale voorganger had gedaan. Hij gaf opdracht om de niet door hem goedgekeurde titels te verbranden. Dat werd voor een groot gedeelte voorkomen door het optreden van de medewerkers die de boeken elders op het terrein in veiligheid brachten.

In het najaar van 1944 werd de verzending van braillebanden voor de bibliotheken praktisch onmogelijk. Het gevolg was dat er nog hoofdzakelijk lezers boeken leenden die er nog gemakkelijk zelf hun boeken konden halen of een beroep konden doen op anderen. Hetzelfde was het geval voor de lezers van de brailleafdelingen van de openbare bibliotheken in Amsterdam en Groningen. In Groningen was het aantal lezers in 1944 sterk toegenomen omdat er daar relatief veel evacuees uit vooral het westen van het land terecht waren gekomen.

Het leven in de tehuizen

Het leven in de tehuizen ging zo goed mogelijk tijdens de oorlog door. De jaarverslagen en notulen van de bestuursvergaderingen van Sonneheerdt geven daar een goed inzicht in. Het tehuis telde circa 40 bewoners. Er kwamen nieuwe bewoners, anderen vertrokken – soms door huwelijk – naar elders, er overleden bewoners. Als het eigen inkomen van bewoners niet toereikend was werd een beroep gedaan op kerken, zorginstellingen of gemeenten van herkomst van een bewoner. Vooral de handhaving van de soms strikte huisregels en de onderlinge verhoudingen in het huis waren onderwerp van bespreking in het bestuur. Met enige regelmaat was er overleg met vertegenwoordigers van de blindenbonden die klachten hadden ontvangen over gedragingen van personeel of van andere bewoners. Ook de gevolgen van de oorlogsomstandigheden voor de werkinrichting en het tehuis vroegen aandacht. Het lijkt er echter op dat de oorlogsjaren relatief probleemloos verliepen. Dat was ook in het tehuis in Wolfheze het geval totdat dat in september 1944 ingrijpend zou veranderen.

Hoewel er in Rotterdam geen sprake was van een tehuis werden veel blinden overdag ‘aangenaam’ beziggehouden in een soort ontmoetingscentrum. Er werd hen voorgelezen, er werd onderwijs gegeven en gezongen en er waren onder meer met kerst optredens. Er was zelfs gelegenheid voor zwemmen en gymnastiek.

De blindenbonden

De drie blindenbonden moesten hun activiteiten al kort na het begin van de oorlog drastisch beperken. Het bestuur van de Nederlandse Blindenbond besloot in 1941 ondergronds te gaan. Het wilde zich niet laten registreren bij de Kultuurkamer en niet voldoen aan allerlei verordeningen. De propagandist van de vereniging kreeg opdracht zoveel als dat nog mogelijk was het contact met de leden te onderhouden. Het ledenorgaan De Blindenbode verscheen in december 1941 voor het laatst en zou pas begin 1946 weer verschijnen.

Zo goed en zo kwaad als het nog ging bleven de besturen van de twee andere bonden nog functioneren en de bladen uitgeven. Het blad van de Rooms- katholieke blindenbond St. Odilia, ‘RK. Blindenorgaan’, kreeg in 1943 een verschijningsverbod. De laatste aflevering dateert van mei 1943. Het blad kon in de braille-leesvorm echter nog tot september 1944 met enige regelmaat verschijnen. Het ledenorgaan van de NCB De Blindengids kreeg geen verschijningsverbod. Het is tot en met augustus 1944 verschenen toen dat door gebrek aan papier, de spoorwegstaking en problemen met de postverzending niet meer mogelijk was.

In de bladen is – voor zover ze verschenen – veel aandacht gegeven aan de verwoestingen in Rotterdam en de gevolgen voor de leden die in de werkinrichting werkzaam waren. Het blad van de NCB deed diverse keren een oproep om onderdak te bieden aan mensen die dakloos waren geworden door de bombardementen en vermeldde regelmatig namen van leden van wie niet bekend was waar ze terecht waren gekomen. De drie bonden organiseerden nog wel op plaatselijke schaal sociale activiteiten voor de eigen leden en daar werd in de bladen ook aandacht aan geschonken. In veel artikelen werd zorg uitgesproken over de gevolgen van de bezetting voor het dagelijks leven en de moeilijke tijdsomstandigheden die een normaal functioneren van de bonden onmogelijk maakten. Desalniettemin slaagden de NCB en St. Odilia er nog in bestuursvergaderingen en huishoudelijke vergaderingen met leden te organiseren. Voor zover dat mogelijk was verleenden blinden ook onderlinge hulp aan ‘lotgenoten’.

De in de jaren ’30 gelegde contacten van bestuursleden bleven tijdens de oorlog in de informele sfeer intact. Dat betekende dat waar nodig ook gezamenlijk voor de belangen van blinden kon worden opgekomen. Dat gebeurde onder meer landelijk met betrekking tot de eerdergenoemde vrijstelling voor het betalen van luistergeld. Met de werkinrichtingen werd onder meer gesproken over de beloning en andere arbeidsvoorwaarden en in diverse plaatsen werd overlegd met de overheid over aanvulling van lonen met een uitkering. In Amsterdam stonden de beloningsverschillen tussen de drie daar bestaande werkinrichtingen een goede samenwerking in de weg. In diverse steden waren zgn. blindencommissies actief die het overleg met werkinrichtingen en de gemeente voerden. Gezamenlijk besloten de hoofdbesturen om niet in te gaan op de druk van de bezetter om de bonden te laten fuseren en een door de bezetter aan te wijzen bestuurder te accepteren. De bonden konden zich met succes beroepen op de historische achtergrond van de verzuiling in Nederland die een afgedwongen fusie ongewenst maakte. Hoewel de Nederlandse Blinden Bond in 1940 feitelijk ondergronds was gegaan bleven diverse bestuursleden actief in het overleg.

Voor zover na te gaan lieten de bonden zich niet openlijk uit over de politieke situatie. Een uitzondering was het bestuur van St. Odilia dat in september 1940 schriftelijk adhesie betuigde aan de Nederlandse Unie en de leden opriep zich bij die beweging aan te sluiten. Kennelijk had deze oproep nogal wat ophef veroorzaakt. Twee maanden later liet het bestuur in het R.K. Blindenorgaanweten dat het zich allerminst op politiek terrein had willen begeven maar vooral had willen benadrukken dat ‘heel het Nederlandse volk in een ware eenheid in deze ernstige tijden de handen in elkaar zou slaan en gezamenlijk zou werken voor het heil van de gemeenschap’.

In de eerste edities van de bladen na de bevrijding werd vanzelfsprekend ingegaan op het verenigingswerk in de oorlogsjaren. De Blindengids verscheen weer in september 1945 en wijst erop dat alle mogelijke verenigingen waren opgeheven, dat bladen werden verboden en bezittingen door de bezetter in beslag werden genomen. Dat overkwam de NCB niet: ‘vermoedelijk zal dat wel geweest zijn, omdat de bezetter ons “nicht gefährlich” vond. Sympathie zal het wel niet geweest zijn’, schrijft De Blindengids. Het R.K. Blindenorgaan schrijft met enige stelligheid dat er in deze bond geen NSB-ers en verraders zijn geweest.

De Blindenbode verscheen pas in 1946. Uitgebreid wordt stilgestaan bij het feit dat vele leden getroffen waren door het verlies van huis en van have en goed en door de ontberingen van de Hongerwinter. Die hadden een aantal leden het leven gekost. ‘Maar hun aantal zinkt in het niet tegenover dat van de Joodse lotgenoten, die door de waanzinnige wreedheid van den bezetter zijn weggevoerd, om ergens in den vreemde een ellendige dood te vinden’. Het herstel na de oorlog voor de neutrale bond werd nog bemoeilijkt door het feit dat het archief en de leden-en donateursadministratie – die in Arnhem waren ondergebracht – geheel waren vernietigd bij de bombardementen in 1944.

De Hongerwinter

In het najaar 1944 werd het zuiden van het land bevrijd. Maar overal in het land moesten de ontberingen van de Hongerwinter nog komen. De kinderen in de internaten in Grave werden na de invasie in Normandië op 6 juni 1944 zoveel mogelijk naar huis gestuurd. Hun plaats werd ingenomen door evacuees uit de stad Nijmegen waar bij het bombardement op 22 februari 1944 grote verwoestingen waren aangericht. Het werk in de brailledrukkerij werd in september 1944 geheel stilgelegd. De gebouwen in Grave werden daarna bevolkt door geallieerde soldaten, evacuees, een aantal fraters en nog een aantal blinden die nergens anders konden worden ondergebracht. Die situatie zou tot in april 1945 zo blijven. Het onderwijs en de drukkerij lagen de hele winter stil.

De gevechten in het midden van het land en in de omgeving van Arnhem leidden tot grootschalige evacuaties. De school van Bartiméus in Zeist had bijna alle kinderen naar huis gestuurd. In het jongensinternaat werden in 1944 bejaarde evacuees uit Wageningen ondergebracht. De gebouwen werden in april 1945 gevorderd door de Duitsers, eerst om er oudere zeelieden uit Egmond onder te brengen en later Duitse soldaten. In het meisjesinternaat verbleef het personeel met een paar kinderen, maar ook daar werden Duitse soldaten ingekwartierd. Pas in september 1945 kon weer een begin worden gemaakt met de lessen. Van verstoring van het dagelijks leven van de blinden in Ermelo was echter nauwelijks sprake, maakt het jaarverslag van Sonneheerdt duidelijk.

Dat was heel anders in het tehuis in Wolfheze. Het gebouw werd bij de slag om Arnhem getroffen door afzwaaiers van de geallieerden. De 50 blinde bewoners en het personeel werden ondergebracht in de schuilkelders die al voor de oorlog waren aangelegd. Omdat het daar te gevaarlijk werd verhuisden zij eerst naar particulieren en zomerhuisjes in Wolfheze. Op 25 oktober vertrokken bewoners, personeel en onderduikers – totaal 65 personen – naar het Instituut tot Onderwijs en de tehuizen in Bussum. Daar werd de Hongerwinter doorgebracht. Pas op 19 september 1945 konden zij terugkeren naar Wolfheze. Het gebouw was onherstelbaar beschadigd en daarom werden zij ondergebracht in Hotel Wolfheze. Pas in 1950 kon een nieuw gebouw betrokken worden.

Na de bevrijding

De meeste instellingen en organisaties pakten het werk na de oorlog zo snel en zo goed mogelijk weer op. Er was vooral blijdschap over de herwonnen vrijheid.

In een aantal geraadpleegde bronnen wordt de conclusie getrokken dat de organisaties en instellingen niet te maken hebben gehad met extra beperkende maatregelen maar dat er ook geen sprake van is geweest dat ze gespaard zijn. Het algemene beeld is echter dat mensen met een visuele beperking en hun organisaties en instellingen in ons land ongemoeid werden gelaten. Een uitzondering gold Joodse mensen. Ten aanzien van de maatregelen van de bezetter pasten besturen en directies zich in het algemeen wel aan. De verordeningen werden strikt uitgevoerd maar er werd steeds gezocht naar oplossingen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Ook werden uitwegen gevonden om het werk ongestoord voort te zetten. De blindenbibliotheken voldeden aan de formaliteiten, o.a. met betrekking tot papiergebruik en het uitsluiten van het leveren van boeken aan Joodse blinden. De werkinstellingen pasten waar mogelijk hun werkzaamheden aan en probeerden opdrachtgevers en klanten tevreden te stellen. Aan het ontslag van Joodse medewerkers wisten de instellingen niet te ontkomen en in een enkel geval werd er zelfs min of meer aan meegewerkt. Er zijn voorbeelden bekend van vormen van verzet en hulp aan onderduikers. Vaak was er dan sprake van individuele actie van blinden en stilzwijgende medewerking van de leiding van instellingen. De propagandist van de Nederlandse Blindenbond verleende op die manier actieve hulp aan Joodse blinden en onderduikers. Een bewoner van het tehuis en medewerker van de werkinrichting in Ermelo plaatste een radio op de zolder van de werkinrichting. Hij ving berichten op, typte deze uit en vermenigvuldigde die op een stencilapparaat. Op die manier werd de krant Het vrije woord in de omgeving van Ermelo verspreid vanuit de instelling waarvan bestuur en directie een vooral zakelijke maar enigszins dubbelzinnige relatie hadden met de bezetter. Van het personeel in Ermelo zou in ieder geval een persoon openlijk gesympathiseerd hebben met de bezetter. Dat gebeurde tot ontsteltenis van het bestuur ook bij de Nederlandsche Blindenbibliotheek in Den Haag. Na de oorlog bleek dat de directrice sinds 1943 lid was geweest van de NSB. Daarvan had zij nooit iets laten blijken. Met zekerheid kon het bestuur later ook vaststellen dat zij niet toegestane activiteiten nooit heeft aangegeven. Zonder proces is ze in de loop van 1946 – mede op verzoek van het bestuur van de bibliotheek – uit gevangenschap ontslagen maar vanzelfsprekend niet teruggekeerd bij de blindenbibliotheek.

Geraadpleegde bronnen

  • U. Anema, Het Schild in Wolfheze; de bijzondere geschiedenis van het centrum voor blinde en slechtziende ouderen. Wolfheze, Het Schild, 2012.
  • A. Bakker en K. Tinga. Vooraan. Honderd jaar blindengeleidehond. Amsterdam, Boom, 2016.
  • J. van den Berg. Blinden: mensen als iedereen; een opmerkelijk levensverhaal. Wageningen, Zomer & Keuning, 1977.
  • C. Boele. Rechtvaardigheid boven weldadigheid; de emancipatie van de blinden in Nederland in de XXste eeuw. Utrecht, Landelijke Stichting voor Blinden en Slechtzienden, 1992.
  • H.Fidder. Zorgen door zegen; enkele grepen uit de wordingsgeschiedenis van het christelijk blindentehuis ‘Sonneheerdt’ te Ermelo. Ermelo, Sonneheerdt, 1971.
  • C.H.C. Frijters. Lezen gaat ongezien; honderd jaar lectuurvoorziening aan blinden en slechtzienden en de rol van de Nederlandsche Blindenbibliotheek daarbij. ’s-Gravenhage, Vereniging De Nederlandsche Blindenbibliotheek, 1987.
  • Gedenkboek ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van het Christelijk Blindeninstituut Bartiméus te Zeist. Zeist, Bartiméus, 1949.
  • A.A.M. van Hulten. “Voor wie des daags de zon niet schijnt…”; 125 jaar Rotterdams Blindenwerk particuliere zorg – maatschappelijke integratie. Rotterdam, Stichting Historische Publicaties Roterodanum, 1984.
  • Bart Janssen. Van reglette tot diskette; 125 jaar brailledrukkerij 75 jaar Bibliotheek Le Sage ten Broek. Nijmegen, Stichting Bibliotheek Le Sagen ten Broek, 1994.
  • P.W.Klein. De Stichting Blindenhulp 1899-1999; een patroon van verandering. Den Haag, Stichting Blindenhulp, 1999.
  • P. van Trigt. Blind in een gidsland. Over de bejegening van mensen met een visuele beperking in de Nederlandse verzorgingsmaatschappij, 1920-1990. Hilversum, Verloren, 2013.
  • J. Vos. Tastend door de tijd. Twee eeuwen onderwijs en zorg voor slechtziende en blinde mensen. Boom, 2008.
  • Ad van der Waals. Gewoon anders lezen in de openbare bibliotheek; de geschiedenis van de openbare bibliotheekvoorziening voor mensen met een visuele of andere leesbeperking. Leeuwarden, Uitgeverij Elikser, 2013.
  • Verder de tijdschriften van de blindenbonden in de periode 1940-1946: De Blindenbode (Nederlandse Blinden Bond), de R.K. Blindenorgaan (Sint Odilia) en de Blindengids (Nederlandse Christelijke Blindenbond). Tevens met betrekking tot Werkinrichting Amsterdam: Inventaris van het Archief van de Vereniging tot Werkverschaffing aan Hulpbehoevende Blinden in het Stadsarchief Amsterdam. www.archief.Amsterdam.nl. inventarisnr. 1390.

April 2020
Ad van der Waals

page14image55948416

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *