“Honderd jaar blind in een bondenland”
Hartelijk bedankt dames en heren. Het is een hele eer om hier vandaag te mogen zijn bij dit jubileumfeest. Ik ben verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en inderdaad hoogleraar religiegeschiedenis, maar ook directeur van het HDC. Dat staat voor Historisch Documentatiecentrum, dat betekent dat wij veel collecties, archieven hebben, documentatie. Een van de redenen waarom ik ook uitgenodigd ben is dat onlangs, dankzij de arbeid van Harm Pierik, de archieven van de NCB overgedragen zijn aan het HDC. Ze zijn naar de VU gebracht en worden daar voor het nageslacht bewaard. Dus vanuit die twee rollen wil ik graag proberen een kleine bijdrage te leveren aan dit symposium.
Ik wil eerst even terug in de tijd naar 1891, het zogenaamde Christelijk Sociaal Congres. Dat was het eerste Sociaal Congres dat vanuit de christelijke achtergrond georganiseerd werd. Daar waren diverse beroemde mannen en vrouwen uit die tijd bij betrokken en natuurlijk vooral Abraham Kuyper, dé voorman van de protestants christelijke beweging.
Ik zal zo meteen iets meer aanhaken bij de inhoud van het congres, maar we zijn hier bij een familiefeestje. Ik wil even aangeven dat ik ook vanuit de VU eigenlijk een soort familiebezoek breng aan u als NCB. Want we komen natuurlijk allemaal uit diezelfde grote christelijke sociale beweging. Kuyper heeft op deze bijeenkomst, dat was aan de Kloveniersburgwal in het gebouw van de Maatschappij voor den Werkenden Stand, in deze zaal een beroemde rede gehouden. Wij weten ook precies wie er toen aanwezig waren. Er waren ongeveer 500 mensen uit het hele land naar deze bijeenkomst gekomen. En als je dan op die ledenlijst kijkt, zie je daar onder andere de naam van A.N. de Gaay Fortman. Het is echt een ook een soort stamboomfeestje voor u, meneer de Gaay Fortman, dat was uw overgroot-, nee grootvader denk ik, die predikant was. Hij was toen een jaar of veertig/vijftig, zo in die leeftijd en aanwezig bij deze bijeenkomst. Op dat moment had hij thuis natuurlijk een gezin en Jeanne was toen elf jaar. Zij is geboren in hetzelfde jaar als de VU is opgericht. Hoe kan het allemaal zo samenvallen? Dus ik stel me zo voor dat Nicolaas de Gaay Fortman ’s morgens tegen zijn kinderen zei: deze week ben ik in Amsterdam want dan ga ik naar het Christelijk Sociaal congres. Misschien heeft hij ook uitgelegd wat het was en heeft Jeanne toen al een beetje gevoel gekregen voor die sociale christelijke beweging waarin zij zelf later een rol zou spelen. Maar in die zaal zat nog een persoon en dat was Gerrit Diepenhorst uit Strijen. En dan komen we natuurlijk bij die andere familie waar Jeanne Diepenhorst later die naam Diepenhorst zou gaan dragen omdat zij trouwde met een familielid van de man die daar aanwezig was.
Over Abraham Kuyper kun je heel veel vertellen. Daar zijn ook genoeg boeken over geschreven. En ik neem aan dat u ook wel ongeveer weet wie hij was. Hij heeft op de openingsavond een heel beroemde rede gehouden: Het sociale vraagstuk en de christelijke religie. Een geheide rede waarin hij heel principieel aangaf wat de problemen waren van de tijd, de sociale kwestie, de arbeidersbeweging en hoe je daar als christen in moest staan.
Hij schetste daarin vooral het spanningsveld, de problematiek van de verhouding tussen staat en samenleving, maar ook particulier initiatief. Moesten arbeiders afhankelijk zijn van de staat, van een uitkering of moesten zij zich schikken in de belangen en de beleidsbewegingen van werkgevers? Een heel ingewikkeld actueel vraagstuk van die tijd. Maar hij probeerde het natuurlijk te benaderen vanuit de Bijbel of vanuit het evangelie. Dat was zijn richtsnoer. En zo schetste hij als het ware de driehoeksverhouding staat, samenleving en geloof. Het woord religie zal hij niet zo gauw gebruikt hebben in de zin van een algemene aanduiding van godsdienst, want hij heeft het heel de tijd over dé Christus die ons leven beheerst. En zo probeerde hij principiële lijnen te trekken, ook naar de noden van de samenleving en de christelijke barmhartigheid die daar een plek in moest krijgen.
Op dat congres waren trouwens ook heel wat vrouwen aanwezig. Die hadden aparte bijeenkomsten. Daar kom ik zo meteen ook nog even op terug. Maar die vrouwen dachten ook na over de sociale problemen en welke rol zij daar zelf in konden spelen. En een van die gesprekken ging ook over filantropie omdat het idee leefde dat filantropie, meestal opgevat als liefdadigheid, echt een vrouwending werd genoemd, zoals we dat tegenwoordig zeggen. Dus dat vrouwen in het bijzonder begaafd waren om zich in te zetten voor de medemens. Dat woord filantropie moet eigenlijk toch nog een beetje toegelicht worden, want wij vertalen dat vaak als liefdadigheid. Het is natuurlijk letterlijk liefde voor de mens, menslievendheid. En oorspronkelijk was dat een begrip uit de Verlichting. De achttiende eeuw kwam het idee van de mens als medemens, die ook door maatschappelijke en politieke bewegingen geholpen en onderwezen moest worden, opgevoed, gevormd, cultureel ontwikkeld. Dat is een typisch verlichte gedachte. En dat betekent dat later de orthodox protestanten, zeg maar meer de belijdende christenen, eigenlijk dat woord ook een beetje negatief bekeken. Die dachten van filantropie, dat is echt van die verlichte mensen. Dat is niet iets voor ons, want zij dachten meer vanuit caritas, christelijke barmhartigheid. Dan zie je dat op een gegeven moment wel dat woord wordt overgenomen en dan daarbij gezegd wordt, maar we hebben ook een christelijke filantropie, een christelijke menslievendheid. En daarin moeten wij ook onze rol spelen, als het maar altijd gevoed blijft door de motivatie vanuit het geloof, vanuit een eeuwigheidsperspectief eigenlijk. De mens is niet alleen maar voor deze aarde geschapen, maar ook voor het hiernamaals. En dat, dat zie je ook wel terug in een slogan die in die tijd in deze kringen geliefd was. Je moest redden en getuigen. En dat redden slaat dan op de sociale maatschappelijke noden. Maar het getuigen slaat op het overbrengen van het evangelie omdat er hogere belangen zijn. Als ik dat zou doen, zegt die christelijke filantropie, dan kom ik ook bij de beweging van het Reveil. Wij praten heel vaak over de gereformeerde protestants christelijke beweging, maar we hebben ook die beweging van het Reveil gehad, die eigenlijk al vroeg in de negentiende eeuw begon om oog te krijgen voor christelijk sociale noden.
Dus eigenlijk begint de christelijk sociale beweging niet zozeer bij Kuyper en die hele context, maar al eerder bij de mensen van het Reveil. Dan moet u denken aan Isaac Costa, Bilderdijk, Groen van Prinsterer, maar vooral ook aan heel veel vrouwen die in deze beweging actief zijn geweest, zoals bijvoorbeeld Betsy Groen van Prinsterer, de vrouw van de bekende Groen. Nou, uit die Reveilbeweging of uit die christelijk sociale beweging zijn onnoemelijk veel verenigingen, bonden, instellingen gegroeid, opgericht die allemaal een bepaald aspect van het maatschappelijk leven probeerden te behartigen.
Er is een poster die in 1913 gepubliceerd is. Dit is een soort diagram met vakjes. Al die vakjes slaan op verenigingen of bonden. Instellingen die zich toen inzetten voor bepaalde doelen. Daar staat dan ook de Christelijke of de blindenbond die toen bestond, de NCB bestond nog niet, maar er waren lokale verenigingen om toch in de nood van gehandicapten, van mensen met een beperking te voorzien, zowel onderwijs als werkverschaffing, opleiding enzovoort. Een van die verenigingen wil ik hier even noemen. Dat is de vereniging die zich inzette voor doven en blinden. Die is opgericht in, ik dacht 1888, de vereniging Effata en die zijn eigenlijk al in die tijd begonnen om voor doven, doofstommen werd toen gezegd. Al die termen die wij liever niet meer gebruiken, ook blinden, daar hadden zij aandacht voor. Daar verzamelden zij bijvoorbeeld de boeken voor. De brailleboeken kwamen in die tijd op.
Daar kom ik nu bij de volgende stap. Het hangt allemaal met elkaar samen. Abraham Kuyper had aantal zonen en dochters, één daarvan was Herman Hubert Kuyper. Zijn echtgenote, mevrouw Kuyper-Heiblom. dus de schoondochter van Abraham Kuyper, was in Amsterdam ook actief in deze wereld van filantropie, christelijke filantropie, liefdadigheid. En zij nam in 1912 al het initiatief om in Amsterdam een soort blindenbibliotheek op te starten. Zij kreeg daarbij de hulp van iemand uit haar eigen gemeente, namelijk Jeanne Diepenhorst, die inmiddels een jaar of dertig was. Die deed ook mee aan dat comité. Dat werd een damescomité genoemd. Die plaatste in 1912 een mooie advertentie in de krant van die tijd De Heraut. De Gereformeerde krant en daarin zeiden ze wij hebben hier in Amsterdam een damescomité opgericht, wij gaan aan de slag voor de blinden. Er stond wel bij dat er ook nog een soort mannelijke adviesgroep was, waarin bijvoorbeeld die professor H.H. Kuyper zat, want die mannen hebben we toch wel nodig om de rechtzinnigheid van die boeken te controleren en om meer publiciteit te kweken. Want die mannen hebben veel meer invloed en zeggenschap dan wij.
Maar daarin was mevrouw Diepenhorst ook al actief. Haar man Pieter Diepenhorst, P.A. Diepenhorst is in 1919 de voorzitter geweest van het tweede Christelijk Sociaal Congres. Dus zo ziet u dat we praten over netwerken waarin allerlei mensen actief waren voor onder andere de blindenzorg. Dat damescomité kreeg trouwens wel gelijk protest vanuit Dordrecht, want daar was die vereniging Effata en die zeiden: wij hebben hier het een en ander opgezet, wij hebben ook boeken en dan gaan ze in Amsterdam ook weer zoiets opzetten. Dat voelde als concurrentie. Daar is nog een hele twist uit voortgekomen die in de kranten werd uitgevochten. Een heen-en-weer polemiek. Maar die mensen uit Dordrecht, mensen van Effata, hadden natuurlijk wel een punt. Ze zeiden we kunnen ook onze krachten verbrokkelen en dat is eigenlijk niet in dienst van de beweging die we met z'n allen voorstaan. Amsterdam heeft zich daar niets van aangetrokken, die is gewoon doorgegaan en u begrijpt dat ik met zo'n voorbeeld ook aangeef: dit is ook de geschiedenis van al die protestantse instellingen. Voortdurend belangenstrijd, verschillende doelstellingen, netwerken, families die dan weer eigen dingen gaan opzetten en natuurlijk ook de vele verschillende kerken. Nou zo mooi als Bas net heeft uitgelegd wat het verschil tussen hervormd en gereformeerd is, dat ga ik niet proberen te overtreffen. Dat zou een heel lang theologisch verhaal worden. En ook heel veel ruzies tussen allerlei groeperingen, dat gaan we niet doen.
Evenals beeld dat ook die NCB die in 1924 daarbij kwam eigenlijk een loot is uit een stam die vele takken kent. Daar kun je positief en negatief naar kijken. Je kunt zeggen dat is allemaal verdeeldheid en scheuring. Verbrokkeling is ook zo, maar ruzie maken is ook een teken van leven hè. Dan sta je ergens voor en dan heb je belangen en motieven die je graag wil verdedigen. Nou, dat hele kerkelijke landschap, dat zit wel helemaal verweven in die geschiedenis, ook van de blindenbonden moet ik zeggen, in meervoud. En het ingewikkelde is dat je dat eigenlijk niet kunt schetsen aan de hand van allerlei kerkelijke of theologische opvattingen. Hervormd, gereformeerd. Maar je hebt de gereformeerde bond, je hebt vrijzinnig, midden orthodox, het is allemaal al langsgekomen. Het zit hem vaak in die mentaliteiten, Die cultuurverschillen, hè, Professor Dekker, een God, die socioloog, die heeft wel eens gezegd van ja, het zijn eigenlijk allemaal orthodoxe protestanten of gereformeerden, hervormden, maar je hebt bevindelijke die heel erg naar de binnenkant kijken van het geloof. Je hebt orthodoxen die heel erg op de leer zijn en je hebt modernen die erg maatschappelijk georiënteerd zijn en ook graag willen inspelen op nieuwe ontwikkelingen.
Het titelblad van dat mooie proefschrift van Paul van Trigt laat zien dat hij erin geslaagd is om dat historische veld goed in kaart te brengen aan de hand van een aantal factoren. Thema's die een rol spelen en die eigenlijk heel de tijd een ingewikkeld samenspel vormen. Religie, staat, zorg en normaliteit. Met dat laatste wordt bedoeld dat blinden beschouwd moeten worden als medemensen in de samenleving die alleen een beperking hebben waar je ook wat aan te doen valt en niet alleen maar overgeleverd zijn aan liefdadigheid of de zorg van anderen.
Paul heeft een mooi boek geschreven. Ik sta hier ook als wetenschapper, als collega historicus, dus je kijkt dan ook weer van wat zouden we nog meer kunnen doen aan dit hele historische veld? Want we willen altijd weer nieuwe wegen verkennen en mijn suggestie is om meer aandacht te schenken, naast al die factoren van politiek en samenleving en kerken, naar de vertelcultuur, de verhalen over blinden, de verhalen van blinden die een rol speelden in deze hele christelijk sociale beweging. En als je dan een beetje gaat zoeken in de literatuur, dan zie je dat er vooral in de negentiende eeuw steeds meer boekjes verschenen waarin ingegaan werd op het lot van blinden. Concrete levensverhalen. Die zijn natuurlijk interessant. Ze werden gepubliceerd met een bepaald doel, vaak in dienst van het kweken van medelijden of filantropie. Maar die verhalen zijn natuurlijk wel mooie bronnen, omdat je heel vaak leest hoe blinden ook in die tijd door anderen werden bejegend in de kerkelijke gemeente, in hun dorp, in hun stad. En ik vind dat er eigenlijk nog weinig onderzoek of systematisch onderzoek gedaan is naar deze verhalentraditie over blinden, van blinden en dat daar meer onderzoek naar gedaan zou kunnen worden. Om ook de culturele kant, die ook voor de NCB denk ik heel belangrijk is vorming, opvoeding, ontmoeting. Om die wat meer in beeld te krijgen. Een voorbeeldje in 1839 verscheen er een boekje over de blinde Valentijn. Dit geschrift was een traktaat, godsdienstige traktaatjes voor jonge lieden, dus opvoedkundig bedoeld. En die meneer Valentijn, waar dat boek over gaat, dat was een man die in de achttiende eeuw leefde, die gewoon zijn werk heeft gedaan tot ongeveer zijn zestigste, toen slechtziend werd, uiteindelijk blind maar een enorme bijbelkennis had, want die had hij vanuit zijn jonge jaren opgedaan. En dat gebruikte hij ook als argument van zorg ervoor dat er heel veel godsdienstige kennis in je hoofd zit, want je kan blind of slechtziend worden en dan heb je dat hard nodig. Dat is een beetje de moraal van het verhaal. Over dit boekje valt van alles te zeggen en je moet het altijd in die tijd plaatsen.
Maar zulk soort verhalen zijn er meer. Er is een boekje wat de laatste tien, twintig jaar best wel populair is in, zeg maar in de bevindelijk gereformeerde kringen. Dat gaat over blinde Marie, Marie de Doelder en zij kwam uit Terneuzen, is in 1875 geboren in een gezin waarin drie meisjes blind geboren waren en een zoon bijziend was, zoals dat in de bron staat.
Dus een gezin waarin heel veel nood was rondom blindheid. Die meisjes zijn in een instituut in Amsterdam opgenomen, zijn verschillende wegen gegaan, maar deze Marie, is oud geworden en heeft een soort leven geleid waarbij zij als een soort vrome autoriteit allemaal reizen maakte langs dominees, vrome contacten in heel het land. En dan schrijft ze zelf daar kwam heel veel bekijks, want iedereen wilde wel eens een blinde vrouw zien praten over haar geloof en haar bekering dan ook in dit geval. En dan kreeg ze wat toegestopt en uiteindelijk wordt ook ergens gezegd: ze had een heel kapitaaltje verworven dankzij al die giften. Dat is natuurlijk een heel merkwaardige manier van een soort lot van wat in de achttiende eeuw misschien een soort bedelaarschap was. Zij ging als het ware aan de slag met haar vrome overtuiging, met haar contacten en werd op die manier voorzien in haar levensbehoeften.
Dat boekje, dat heeft verschillende drukken gehad heeft nog een hele categorie van bronnen dat vraagt om nader onderzocht te worden. Dus misschien kunnen wij daar ook nog eens wat studenten op zetten. Maar ook denk ik in samenhang met andere bronnen zoals dat archief van de NCB dat wij hier aan de VU nu inmiddels bij ons hebben.
U ziet dat ik op deze manier een beetje de cirkel van mijn verhaal rond heb. Nogmaals, ik vond het een genoegen om vanuit de VU u hier te mogen feliciteren met het jubileum en ik wens de NCB nog vele goede jaren toe.
(*) Prof. dr. Fred (F.A.) van Lieburg (1967) is hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit en directeur van het HDC Centre for Religious History. Bij de HDC | Collectie Protestants Erfgoed ligt het archief van de NCB opgeslagen. Van Lieburg heeft veel gepubliceerd over de relatie tussen geloof, politiek en samenleving in de vroegmoderne en moderne tijd. Vanuit onderwijs- en onderzoekservaring vertegenwoordigt Van Lieburg het vakgebied van de algemene geschiedenis, met een focus op de religieuze factor in de culturele, sociale en politieke realiteit. Hij is echter vooral geïnteresseerd in de convergentie en integratie van verschillende onderzoeks- tradities, door middel van conceptuele uitwisseling, interdisciplinaire benaderingen en gekoppelde wetenschappelijke netwerken. Gezien het belang van mondiale dimensies en lange termijn ontwikkelingen is naar zijn inzicht computerondersteund onderzoek van gedigitaliseerde bronnen aan te bevelen voor het doen van religieuze geschiedenis vandaag de dag.
